Uitleg per vraagtype

Werkwijzen voor elk vraagtype van de online redeneertests, met uitgewerkte voorbeelden uit dezelfde generator als de oefentests.

Cijferreeksen: de scanmethode in vier stappen

Hoe je in vier vaste stappen bepaalt welk soort regel achter een cijferreeks zit, voor je ook maar één berekening maakt.

De verschilladder: vaste en groeiende stappen

Cijferreeksen met een vast verschil of een verschil dat zelf toeneemt, uitgewerkt met drie ladders van onder naar boven.

Vermenigvuldigen: vaste, groeiende en gemengde factoren

Cijferreeksen die steeds sneller groeien: de verhoudingsladder voor een vaste factor, een groeiende factor en de combinatie keer en plus.

Twee reeksen in één: afwisselend of verweven

Cijferreeksen die op en neer gaan: hoe je met het overslaan-test een afwisselende regel van twee verweven sporen onderscheidt.

Breuken en terugkijken in cijferreeksen

Reeksen met breuken los je op door teller en noemer als aparte sporen te lezen; reeksen zonder vaste stap door twee termen terug te kijken.

Letterreeksen: stappen tellen, over Z heen, spiegelen en groepen

Letterreeksen zijn cijferreeksen in vermomming: hoe je letters omzet in posities, na Z verder telt en spiegel- en groepsreeksen herkent.

Matrices: de zes regeltypes met een uitgewerkte 3×3

Constant, verloop, optellen, aftrekken en verdeling: de regels die een 3×3-matrix kan volgen, elk met een uitgewerkte matrix.

Een matrix lezen in drie passen: rijen, kolommen, eigenschappen

Een vaste leesvolgorde voor 3×3-matrices, zodat je elke regel vindt zonder te raden, ook onder tijdsdruk.

Kubussen vouwen: de elf netten en de regel van de overstaande vlakken

Welke elf uitslagen tot een kubus vouwen, hoe je in elk net de overstaande vlakken vindt en waarom dat de meeste opties meteen uitsluit.

Kubussen: oriëntatie en spiegelbeeld

Waarom een kubus fout kan zijn terwijl elk vlak op de juiste plaats staat: draaiing van symbolen, spiegelbeelden en de volgorde rond een hoek.

Vreemde eend in de bijt: van zichtbare regel tot verborgen relatie

Vijf figuren, één wijkt af: welke eigenschappen je telt, hoe je afleiders herkent en hoe relatieregels werken.

Woordanalogieën: benoem de relatie voor je kijkt

A staat tot B als C tot wat: de zes relatiegroepen, de richting van een relatie en hoe je afleiders uit dezelfde categorie ontmaskert.

Conclusies trekken: wat volgt met zekerheid en wat niet

Syllogismen, volgordes en toewijzingen: hoe je uit gegeven uitspraken alleen afleidt wat in elke mogelijke situatie waar blijft.

Rekenvraagstukken: van tekst naar drie stappen

Snelheid en tijd, percentages, verhoudingen en werktempo: hoe je een tekstvraag omzet in een korte reeks berekeningen en welke fouten de opties uitlokken.

Tabellen en grafieken lezen: eerst de vraag, dan de cel

Hoe je bij een tabel of grafiek de juiste rij en kolom vindt, procentuele veranderingen berekent en trends afleest zonder de as verkeerd te lezen.

Begrijpend lezen: waar, onwaar of niet af te leiden

Hoe je bij elke stelling de zin zoekt die ze bevestigt of tegenspreekt, en wanneer het juiste antwoord is dat de tekst het niet zegt.

Codetaal ontcijferen: elk woord één symbool

Drie gecodeerde zinnen, één mapping: hoe je met overlappende woorden elk symbool vastlegt, ook als de symbolen niet in de woordvolgorde staan.

Uitleg per vraagtype · Treinbestuurderselectie