Tabellen en grafieken lezen
Bij een tabel of grafiek zit de moeilijkheid niet in het rekenen maar in het kiezen: welke rij, welke kolom, welk jaar. Lees daarom eerst de vraag en onderstreep de twee gegevens die ze noemt. Ga pas daarna naar de tabel, rechtstreeks naar die cellen.
Laatst bijgewerkt:
Procentuele verandering
Een procentuele verandering deel je altijd door de beginwaarde, niet door de eindwaarde en niet door het verschil. Van 80 naar 100 is een stijging van 25 procent; van 100 naar 80 een daling van 20 procent. De foute opties bevatten het absolute verschil en de omgekeerde verhouding.
Uitgewerkt voorbeeld 1
| Station | jan | feb | mrt | apr |
|---|---|---|---|---|
| Brugge | 566 | 532 | 577 | 611 |
| Gent | 639 | 601 | 639 | 665 |
| Leuven | 442 | 460 | 575 | 553 |
| Mechelen | 373 | 362 | 347 | 332 |
Met hoeveel procent veranderde de waarde van station Leuven tussen feb en mrt? (een daling is negatief)
Bereken het verschil en deel het door de beginwaarde, niet door de eindwaarde.
| Station | jan | feb | mrt | apr |
|---|---|---|---|---|
| Brugge | 566 | 532 | 577 | 611 |
| Gent | 639 | 601 | 639 | 665 |
| Leuven | 442 | 460 | 575 | 553 |
| Mechelen | 373 | 362 | 347 | 332 |
575 − 460 = 115 115 ÷ 460 × 100 = …
De verandering is 25 %.
Aflezen van een grafiek
Bij een staaf- of lijngrafiek lees je eerst de as: welke eenheid, welke stap tussen twee lijnen. Zoek dan de reeks die de vraag noemt aan de legende en volg ze met de vinger tot het gevraagde jaar. Elke waarde valt precies op een rasterlijn, ook op een lijn zonder getal ernaast: tel dan de stappen vanaf de dichtstbijzijnde genummerde lijn.
Uitgewerkt voorbeeld 2
Welke waarde toont de grafiek voor Lijn 3 in Q4?
Zoek de rij en de kolom, ga naar het snijpunt en lees de waarde af op de as.
De gemarkeerde waarde is 100.
× 1000 in de kop
Staat er naast de titel "× 1000" of "× 1000 €", dan staat elk getal in de tabel voor duizend eenheden: 125 betekent 125 000. Zolang de vraag naar een procent, een verhouding of een waarde uit de tabel vraagt, maakt dat niets uit. Vraagt ze "hoeveel reizigers" of "hoeveel euro", dan reken je eerst met de getallen uit de tabel en vermenigvuldig je op het einde met de factor. Het getal zonder de factor staat altijd tussen de opties, vaak samen met één dat een nul te veel of te weinig heeft.
Uitgewerkt voorbeeld 3
| Lijn | week 1 | week 2 | week 3 | week 4 |
|---|---|---|---|---|
| Lijn 1 | 462 | 494 | 462 | 430 |
| Lijn 2 | 307 | 286 | 265 | 244 |
| Lijn 3 | 432 | 393 | 354 | 315 |
| Lijn 4 | 480 | 490 | 504 | 514 |
Hoeveel reizigers meer vervoerde Lijn 1 in week 4 dan Lijn 3?
Zoek de twee cellen die de vraag noemt en trek ze van elkaar af. De kop zegt × 1000: elk getal in de tabel staat voor 1000 reizigers. Het antwoord wordt gevraagd in reizigers, dus vermenigvuldig het verschil nog met 1000.
| Lijn | week 1 | week 2 | week 3 | week 4 |
|---|---|---|---|---|
| Lijn 1 | 462 | 494 | 462 | 430 |
| Lijn 2 | 307 | 286 | 265 | 244 |
| Lijn 3 | 432 | 393 | 354 | 315 |
| Lijn 4 | 480 | 490 | 504 | 514 |
430 − 315 = 115 115 × 1000 = …
Het verschil is 115 000 reizigers.
Een trend die omslaat
De vraag naar het jaar waarin een reeks van stijgen naar dalen gaat, beantwoord je door de verschillen tussen opeenvolgende jaren te tekenen: plus, plus, min. Het omslagjaar is het jaar waarin het teken verandert, niet het jaar met de hoogste waarde en niet het jaar erna.
Uitgewerkt voorbeeld 4
In welke periode keerde de trend van de afdeling Verkoop om?
Volg de lijn van links naar rechts en zoek de periode waarin ze van richting verandert.
240 − 220 = 20 280 − 240 = 40 300 − 280 = 20 280 − 300 = -20
De richting keert om in 2024.
Veelgestelde vragen
- Krijg ik een rekenmachine?
- Bij dit vraagtype wel: de oefentest toont een eenvoudige rekenmachine op het scherm. Gebruik ze voor delingen en percentages, maar lees de cellen zelf af; de meeste fouten komen van een verkeerde cel, niet van een verkeerde deling.
- Wat als twee cellen bijna dezelfde waarde hebben?
- De oefenvragen zijn zo gebouwd dat de cel die je nodig hebt altijd duidelijk verschilt van haar buren in dezelfde rij en kolom. Twijfel je toch, dan lees je de rij- en kolomtitel opnieuw voor je rekent.
- Welke vraagsoorten komen voor?
- Een waarde aflezen, een gemiddelde van een kolom, een totaal onder een voorwaarde, een verhouding tussen twee cellen, een procentuele verandering, de rij met de grootste verandering en het omslagjaar van een trend. Vanaf het middenniveau bevat elke set minstens één vraag die je alleen uit een grafiek kunt beantwoorden.
Zelf oefenen
Deze uitleg bevat geen oefenvragen. Sets van tien vragen per vraagtype, met dezelfde uitleg bij elk antwoord, vind je in het oefengedeelte.
Treinbestuurderselectie is een onafhankelijk oefenplatform en is niet verbonden met, erkend door of geaffilieerd met de Belgische spoorwegen of Selor. Alle oefeningen zijn zelf ontwikkeld en bootsen enkel het formaat van de selectieproeven na. Echte examenvragen reproduceren we nergens. Oefenen op Treinbestuurderselectie geeft geen garantie op slagen.