Fase 1
Woordanalogieën oefenen
A staat tot B als C tot wat? Vijf sets van tien vragen met vijf opties en een richttijd van twee minuten per set. De makkelijke vragen vragen één woord, de moeilijke een volledig paar. Woorden komen uit een lexicon van driehonderd paren per taal, en geen enkel paar komt twee keer voor in een oefenreeks.
Hoe verloopt dit onderdeel?
- Twaalf relaties in zes groepen: betekenis, categorie, deel en geheel, functie, oorzaak en gradatie, handeling en volgorde.
- Foute opties: omgekeerde relatie, oppervlakkige associatie, zelfde categorie zonder relatie.
- De uitleg benoemt de relatie in één zin en past ze toe.
Probeer een gratis voorbeeldvraag
Voorbeeldvraag 1
kraag : hemd = kern : ?
Benoem eerst de relatie tussen de twee woorden van het voorbeeld. Een kraag is een onderdeel van een hemd.
Pas dezelfde relatie toe op “kern”: het gezochte woord is appel.
Voorbeeldvraag 2
monteur : herstellen = ? : ?
Benoem eerst de relatie tussen de twee woorden van het voorbeeld. Wat een monteur doet, is herstellen.
Zoek het paar met precies dezelfde relatie, in dezelfde richting: dat is piloot : vliegen.
Wil je dit onderdeel volledig oefenen?
Met toegang tot deze fase oefen je zo vaak je wilt, met uitleg bij elk antwoord, en volg je je voortgang per poging.
Bekijk prijzenTreinbestuurderselectie is een onafhankelijk oefenplatform en is niet verbonden met, erkend door of geaffilieerd met de Belgische spoorwegen of Selor. Alle oefeningen zijn zelf ontwikkeld en bootsen enkel het formaat van de selectieproeven na. Echte examenvragen reproduceren we nergens. Oefenen op Treinbestuurderselectie geeft geen garantie op slagen.